In Pan blikt de ik-figuur, luitenant Glahn, terug op het jaar dat
hij als jongeman doorbracht in het noorden van Noorwegen. We schrijven
1855. Als lezer kom je er niet achter waarom hij daar is – het is geen
militaire missie – en wat zijn voorgeschiedenis is. De luitenant leeft
van de jacht en de visvangst. Samen met zijn jachthond Aesopus, zijn
enige vriend, bewoont hij een hut, buiten het dorp Sirilund. Hij ontmoet
Edvarda, dochter van een rijke man uit het dorp, en wordt verliefd op
haar – en zij op hem. Maar ze flirt ook metandere mannen. En zo
ontstaat een liefdesgeschiedenis die zijn verwoestende sporen zal
trekken door beide levens. De twee voeren een seksuele oorlog, zo
schrijft Isaac Bashevis Singer heel terecht in het nawoord. Een oorlog
met alleen maar verliezers, kun je eraan toevoegen. Het boek eindigt met
een hoofdstuk, van de hand van een onbekende, waarin de dood van Glahn
wordt beschreven.